Universele Verklaring

van de Ware Natuur

van de Mens

 


Er is al veel gedaan om vrijheid en vrede te kunnen verwezenlijken voor ieder mens. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 is daar een prachtig voorbeeld van. Het is indrukwekkend om te zien hoeveel mensen zich inzetten voor mensenrechten en vrede. Maar doordat we heel vaak geconfronteerd worden met misstanden die voortduren, overal ter wereld, kan de vraag opkomen of er niet iets ontbreekt in het allereerste uitgangspunt bij de pogingen vrijheid en vrede te bewerkstelligen. Wordt er misschien iets over het hoofd gezien?

    Dat verdient in ieder geval onderzocht te worden. De inspanningen voor vrijheid en vrede hebben in het algemeen vrijheid en vrede niet als uitgangspunt, maar als hoop, als ideaal. Kan het dan anders?, is vaak de reactie hierop. In de moderne wereld lijkt er weinig oog te zijn voor het gegeven dat er mensen zijn die vrijheid en vrede hebben herkend als datgene wat ze zelf in wezen zijn, als hun oorspronkelijke aard, hun ware natuur. Deze mensen hebben daarbij ontdekt dat dit niet iets uitzonderlijks is, iets dat alleen voor een beperkte groep ingewijden zou zijn. Nee, zij zijn juist oog in oog gekomen met het meest universele dat er is, het meest gewone en voor ieder mens beschikbare. Zij hebben gezien dat dit iets is dat eindelijk op een geloofwaardige manier toont dat mensen gelijk zijn. Alleen is het iets waar je gemakkelijk overheen kijkt; dat maakt het communiceren erover zo lastig. Wat hier ‘oog in oog’ wordt genoemd is namelijk oog in oog met iets waar nog helemaal geen woorden zijn, geen interpretatie. Iedere term die je eraan zou willen geven is er eigenlijk naast. Dat het zojuist met termen als vrijheid en vrede werd aangeduid, is vanwege het letterlijk aantreffen van de afwezigheid van gebondenheid en strijd, dus dan mag je voor een moment ook positieve termen als vrijheid en vrede eraan geven. Maar zodra er een meningsverschil hierover zou ontstaan, is het terecht om ook die termen ervoor weer los te laten, omdat geen woord dekkend is. ‘Leeg’ is misschien de dichtstbij komende aanduiding ervoor.

      Maar wat heb je daaraan? Allereerst kun je natuurlijk denken aan het bekende voorbeeld van het nut van het naafgat voor het wiel. Het ontbrekende deel in de naaf, de leegte of afwezigheid, maakt het functioneren van het wiel mogelijk. Maar zo’n voorbeeld kan nog als ver weg voelen, als afstandelijk. Wat nodig is, is overtuigd te worden door zelf bij een onderzoek dat dieper gaat dan het persoonlijke te herkennen wat in je eigen beleving werkelijk wordt aangetroffen. Wat je aantreft zodra je jezelf onderzoekt, is inderdaad vooral afwezigheid, afwezigheid van welk denkbeeld of emotie ook. Maar tegelijkertijd is toch iets aanwezig: kennelijk ben jij aanwezig. Kennelijk is er al bewustzijn – ook al is er nog geen ‘iets’ waarvan er bewustzijn is, ook niet een individu. Geen eigenbelang of partijdigheid, geen mening. Ondanks al dit afwezige kun je duidelijk opmerken dat dit in feite het meeste eigene van jezelf is, het meest werkelijke. Je kunt zien dat er niets dieper of wezenlijker is, en dat alles eruit voortkomt.

Deze loutere aanwezigheid zonder enig denkbeeld blijkt de voorwaarde voor alles wat in het denken en voelen opkomt, de bron ervan, waardoor je van een volgorde kunt spreken: eerst moet de eigen bewuste aanwezigheid er zijn, en pas daarna kan er een gedachte zijn (wat toont dat het bekende ‘ik denk, dus ik ben’ de kern van de zaak overslaat). De herkenning ervan zou je kunnen aanduiden als ‘het beseffen van je ware natuur’.

    Wat deze herkenning maakt tot iets dat je nuttig kunt noemen, is dat het toont dat je een vermogen hebt om echt als nieuw naar een onderwerp te kijken, eventueel naar een element dat niet zo vredig is – ook in jezelf. Er wordt getoond dat het mogelijk is om vanuit leegte te kijken, dat wil zeggen vanuit oordeelloosheid en onpartijdigheid. Het maakt een groot verschil van waaruit een bepaalde zaak bekeken en beoordeeld wordt: vanuit de openheid van louter bewuste aanwezigheid, of vanuit een denkbeeld waarin al een richting bepaald is. Bijvoorbeeld bij onenigheid kun je ontdekken dat het niet zinnig is, en in feite ook niet echt intelligent, om door te gaan met pogingen om iets op te lappen; dat betreft namelijk een gevolg in een reeks. Het is heel anders als je allebei vanuit het ‘begin’ kijkt, daar waar nog geen onenigheid is. Kijken vanuit dit begin maakt dat iemand weer vanuit een vers soort intelligentie kan oordelen, helder, zonder vaste patronen of verbloemende zijwegen.


De nadruk op de herkenning van de ware natuur die voorafgaat aan het individu, is afkomstig van mensen die oorspronkelijk onderwezen zijn vanuit wat je zou kunnen noemen ‘Oosterse Verlichting’. Nu is de term ‘Verlichting’ ook in het Westen algemeen bekend, alleen is dit een term voor iets geheel anders, namelijk de beklemtoning van de ware onafhankelijkheid van een mens ten opzichte van ieder ander mens. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is een goed voorbeeld van Westerse Verlichting. De term ‘verlichting’ is een aanduiding voor het mooiste, het hoogst haalbare wat mensen op aarde kunnen meemaken of realiseren, hoe de term ook wordt geïnterpreteerd. In de term zelf lijkt al iets te zitten dat direct aanspreekt: het duidt op de helderheid die de mens in potentie op een natuurlijke manier gegeven is, die licht verschaft aan de intelligentie. Juist het gegeven van twee complementaire visies op Verlichting, met de mogelijkheid van het honoreren van beide, kan ervoor zorgen dat niets wordt overgeslagen bij het verlangen om op een wijze manier met de wereld om te gaan. Beide vormen van Verlichting zijn in feite onontbeerlijk voor de mens.

        Het wonderlijke is nu dat het nog steeds heel moeilijk blijkt te zijn om de wezenlijke waarde van de oosterse benadering in een westerse context aan te tonen, misschien omdat die benadering een vorm van zelfonderzoek met zich meebrengt. Want hoezo zou iemand een zelfonderzoek doen? Hoezo een onderbreking in iemands gewone manier van doen? Vaak wordt iets dergelijks afgedaan als navelstaarderij, en de verwoordingen ervan als naïef. Je kunt uiteraard niemand overhalen om een onderzoek naar zijn ware natuur te doen – gelukkig maar. Er is een benieuwdheid en een bereidheid, of niet. Vrijheid om je eigen weg te gaan is het allerbelangrijkste. Maar zodra tot iemand doordringt dat datgene wat bij dit onderzoek aangetroffen wordt vrede is, het door velen gezochte, zou hij kunnen overwegen het een blik te gunnen, met de mogelijkheid dat het als een soort ‘ontbrekende schakel’ gebruikt kan worden bij allerlei pogingen om vrede te bereiken.


Ondanks dat het vaak als vrijwel onmogelijk wordt ervaren om hierover in een moderne wereldse context te communiceren, is het vanwege de mogelijke hulp die erin besloten ligt toch de moeite waard dit gegeven onder de aandacht te brengen. De vorm die daarvoor is gekozen is dezelfde als die van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: dertig artikelen, waarin de zaak zo kort en helder mogelijk besproken wordt. De hierbijgaande Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens is geschreven als een uitnodiging om oog te krijgen voor de mogelijkheid dat het herkennen van ieders eigen ware natuur een sleutel zou kunnen bieden bij allerlei pogingen om vrede of mensenrechten tot stand te brengen. Een uitnodiging om deze herkenning werkelijk door te laten dringen bij de besprekingen, ook al lijkt er veel urgents op de agenda te staan. Deze nieuwe Universele Verklaring is in geen enkel opzicht bedoeld om de Universele Verklaring van 1948 te vervangen. Het blijft uiteraard van groot belang dat alle bestaande acties voor vrede en vrijheid in de wereld ondernomen blijven worden. Het gaat hier niet om het vervangen van een manier van doen. Het betreft hier het signaleren van het ontbreken van een zicht op iets essentieels, een soort missing link, die onderzocht zou mogen worden naast en tijdens de bestaande acties.


Een van de terreinen waarop meningsverschillen vaak zijn uitgelopen op onverdraagzaamheid en zelfs extreem geweld, is religie. Alle godsdiensten zijn waarschijnlijk ooit voortgekomen uit een besef van de ware natuur van de mens – of liever gezegd, uit het interpreteren van het lege en onbevattelijke ervan. Dit onbevattelijke is nog helemaal leeg en zuiver, maar het interpreteren ervan maakt dat er meningen ontstaan, en korte tijd later is de ene mening niet alleen beter dan de andere, maar ook met meer macht bekleed. 

Om een ommekeer hierin te bereiken zouden vertegenwoordigers van de verschillende religies met behulp van de uitnodiging in deze nieuwe Universele Verklaring tot de kern van hun eigen religie kunnen teruggaan. Met ‘kern’ wordt hier bedoeld ‘voorafgaand aan interpretatie’, ‘voorafgaand aan verschil’. Als iemand de moeite zou willen nemen, zou hij kunnen opmerken dat religie in zijn allereerste wezenlijke verschijning gebaseerd is op iets dat nog helemaal niets is qua taal, hoe groots misschien ook qua ervaring. En als iets niets is qua taal, is dat niet binnen de ene religie verschillend van hoe dat binnen een andere is. Dat is per definitie universeel.

       In een dergelijk teruggaan tot de kern, wat in feite hetzelfde is als het eerder genoemde zelfonderzoek, kan blijken dat het diepgaande oog in oog staan met het onbevattelijke niet per se in religieuze termen hoeft te worden geïnterpreteerd. Alle mensen blijken in de kern, in dit onbevattelijke, gelijk te zijn aan elkaar. Hoe verschillend mensen in hun uitingsvormen ook zijn, religieus dan wel atheïstisch, iedereen kan in zichzelf te midden van alle verschillen het wezenlijke herkennen waar verschil nog niet is begonnen. De Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens is dan ook te beschouwen als een proclamatie van een waarachtige middenweg tussen alle interpretaties op het gebied van religie en filosofie.

Introductie