Universele Verklaring

van de Ware Natuur

van de Mens

 


PREAMBULE


Overwegende dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 in feite een verklaring is van ‘Verlichting’, van het hoogste dat ieder mens gegeven is (hoe dit dan ook wordt geïnterpreteerd);

Overwegende dat de genoemde Verklaring een verklaring van het allergrootste belang is;

Overwegende dat desondanks in de Verklaring het meest wezenlijke element van de mens niet genoemd is (geheel begrijpelijk overigens, gezien het tijdsgewricht van het schrijven van de Verklaring);

Overwegende dat in de Verklaring sprake is van ‘geweten’, ‘geest van broederschap’, ‘zonder onderscheid van godsdienst’, ‘vrijheid zijn godsdienst te belijden’ enzovoort – terwijl deze termen voornamelijk verklaarbaar zijn op grond van iets dat in de Verklaring niet genoemd is, dat mogelijk het hier bedoelde ‘wezenlijke element’ is;

Overwegende dat de tijd wellicht gekomen is dat dit ‘wezenlijke element’ nu wel op een universele, voor alle mensen aanvaardbare manier kan worden aangeduid;

Overwegende dat dit ‘wezenlijke element’ echter tot nu toe volstrekt verschillend is geïnterpreteerd, en dat de ernstige gevolgen daarvan (zoals godsdienstoorlogen en onderdrukking) te maken hebben met de vergissing om dit ‘wezenlijke element’ te koppelen aan superioriteit, en gaandeweg aan macht;

Overwegende dat dit koppelen van het wezenlijke aan superioriteit en macht in vrijwel alle godsdiensten een allesbepalende factor is geworden;

Overwegende dat dit zelfde koppelen van het wezenlijke aan superioriteit en macht ook in de meeste wetenschappelijke en filosofische benaderingen gebruikelijk is (meestal in afwijzende zin, wat geleid heeft tot een ontkenning van het wezenlijke);

Overwegende dat het er dus om gaat om een taalgebruik te vinden voor dit ‘wezenlijke element’ waarin deze verwarring van het koppelen aan superioriteit en macht geen kans krijgt;

Overwegende dat dit een uitnodiging inhoudt om taal en intelligentie op een volledig nieuwe manier te onderzoeken en te leren hanteren;

Overwegende dat voor een volledig zicht op de wortel van superioriteit en macht, en daardoor op de inherente noodzaak van de rechten van de mens, het van het grootste belang is dat intelligentie op een waarachtig nieuwe manier wordt gebruikt, zodat de genoemde verwarring kan worden doorzien en vrede tussen alle mensen als reële mogelijkheid herkenbaar wordt; 


Op grond van deze overwegingen wordt hierbij deze Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens geproclameerd als verwoording van iets dat gemeenschappelijk, door alle mensen aan te treffen en te realiseren is – niet als ideaal, maar als aan alle idealen voorafgaande werkelijkheid:


ARTIKEL 1

Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten. Dit zijn de instrumenten waarmee ieder mens kan functioneren en waarmee hij zijn volledig verschillend-zijn van anderen kan en mag vormgeven.


ARTIKEL 2

Ieder mens wordt geboren op een volledig unieke wijze, in een volledig unieke omgeving, en met volledig unieke, van anderen verschillende karaktereigenschappen. Een of meer karaktereigenschappen worden vaak opgevat als iemands ‘ware aard’ of ‘ware natuur’ – dit is gebaseerd op een vergissing. Dit duidt wel op een ware eigenschap, maar dit is niet het wezenlijke dat hier ‘ware natuur’ wordt genoemd. Het unieke is niet het wezenlijke.


ARTIKEL 3

De uitdrukking ‘ware natuur van de mens’ duidt op het meest wezenlijke element dat mensen kunnen kennen. De uitdrukking wordt hier gebruikt voor dat waarmee ieder mens wordt geboren, en wat altijd het geval is, zonder enige wijziging te ondergaan in de tijd.


ARTIKEL 4

Deze ware natuur van de mens is het enige waarin mensen gelijk zijn in de zin van identiek; in alle andere opzichten zijn mensen juist ongelijk. Weliswaar zijn alle mensen ‘gelijk in waardigheid en rechten’, maar daarin duidt de term ‘gelijk’ op iets anders dan identiek.


ARTIKEL 5

Om te kunnen zien waar het ‘gelijk-zijn in waardigheid en rechten’ in werkelijkheid op is gebaseerd, is het zinvol oog te krijgen voor de gelijkheid van alle mensen in diepere zin, namelijk waar zij identiek zijn, niet-verschillend van elkaar.


ARTIKEL 6

Als dit wezenlijke identiek-zijn van alle mensen niet wordt herkend, zal de uitdrukking ‘gelijk in waardigheid en rechten’ altijd een ideaal blijven, een nobel streven, een ideologie.


ARTIKEL 7

Iedere ideologie, ieder streven of ideaal zal altijd vergezeld gaan van een tegenkracht. Waarachtige vrede en broederschap tussen mensen kunnen niet tot stand komen door alleen maar ernaar te streven – ook al kunnen bondgenootschappen en compromissen wel degelijk een tijdelijk gevoel van vrede geven aan een bepaalde hoeveelheid mensen.


ARTIKEL 8

Alle ideologieën en godsdiensten hebben een positieve bron. Alle mensen hebben oorspronkelijk een positieve basis-instelling. Desondanks hebben ideologieën en godsdiensten grote verschrikkingen teweeggebracht. Dit komt doordat mensen in hun positiviteit snel geneigd zijn te denken dat zij ‘gelijk’ hebben, en daarna ‘meer gelijk dan anderen’ – met grote gevolgen.


ARTIKEL 9

Deze Verklaring is niet een kritiek op positiviteit of positieve doelstellingen. Wel wordt hier gezegd dat positiviteit een onderdeel is van iets dat nog zonder tegenstelling is, zonder verschil, en dat het van wezenlijk belang is dit tegenstellingloze en verschilloze daadwerkelijk te herkennen – niet als abstractie, maar als eigen natuur.


ARTIKEL 10

Iedere bewering, ieder denkbeeld of concept, is al een van de tegendelen. Zo ook de huidige Verklaring. Geen enkele bewering kan zonder tegendeel zijn. Toch kan via taal gewezen worden op iets waar tegendelen afwezig zijn, waar taal en concepten nog niet begonnen zijn.


ARTIKEL 11

Dat dit via taal kan, komt doordat ieder mens taal gebruikt en tegelijkertijd dit conceptloze en tegendeelloze kent. Hij kent dit doordat dit conceptloze zijn eigen ware natuur is.


ARTIKEL 12

Het kennen waarvan hier sprake is, is niet een kennen van iets, maar een kennen-op-zich, dat identiek blijkt te zijn met het conceptloze. De ware natuur van de mens is een ononderbroken samengaan van het conceptloze en kennen-op-zich.


ARTIKEL 13

Het conceptloze, dat in feite neerkomt op ‘niet-weten’, de afwezigheid van denken, heeft niets te maken met domheid. Integendeel, het is de bron van steeds als nieuw opspringende intelligentie. Het is dat waardoor intelligentie ononderbroken verfrist kan blijven. Het is het kennen-op-zich.


ARTIKEL 14

Dankzij de intelligentie (met het in het eerste artikel genoemde verstand en geweten) kan ieder mens onderscheid maken tussen dat wat verschilloos is en de veelvoud van verschillen. Het conceptloze dat de ware natuur is van ieder mens kan herkend worden als verschilloos, ook ten opzichte van de ware natuur van anderen. Iemands karaktereigenschappen kunnen herkend worden als verschillend, bijvoorbeeld verschillend van andere mensen.


ARTIKEL 15

Denkbeelden oftewel concepten zijn de kern van alle conflict, van alle strijd. Conceptloos is hetzelfde als strijdloos. Ieder mens heeft als ware natuur dit conceptloze en strijdloze.


ARTIKEL 16

De ware natuur van de mens zou je op grond van dit strijdloze kunnen omschrijven als ‘goed’. Hiermee wordt niet bedoeld ‘goed’ als term voor een van de tegendelen, maar als eenvoudige en voorlopige term om een aanduiding te gebruiken voor dat waar nog geen conflict opwelt, wat daar met andere woorden aan voorafgaat.


ARTIKEL 17

Het wijzen op dit strijdloze is niet een poging om een tegenmaatregel te creëren ten opzichte van destructieve aspecten die vaak verondersteld worden het meest kernachtige in de mens te zijn (zoals immers de uitdrukking ‘zijn ware aard kwam boven’ meestal op iets negatiefs duidt). Dankzij intelligentie is het mogelijk het verschil te zien tussen het zogenaamd ‘natuurlijke’ van deze negatieve aard, en de ware, aan alle denkbeelden en driften voorafgaande eigen natuur. Iets creëren wat je nog niet hebt, als een poging om een negatieve trek te bestrijden, is volstrekt verschillend van iets blootleggen wat altijd al het geval is geweest, en wat nu evident is, als ‘jezelf’.


ARTIKEL 18

De bron van het goede is niet de godsdienst. Dat is in de loop van de jaren duidelijk geworden. Godsdienst is een bron van tegenstelling (hoewel oorspronkelijk de bron van elke godsdienst waarschijnlijk een soort ontwaren van de ware natuur van de mens is geweest). Het is terecht dat termen als ‘God’ en ‘goddelijke oorsprong’ buiten de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 zijn gehouden. In de huidige Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens hoeft ‘God’ hierna evenmin genoemd te worden.


ARTIKEL 19

De Verklaring van 1948 is een verklaring van Verlichting. De huidige Verklaring is eveneens een verklaring van Verlichting. Dit betreft echter een ‘Inclusieve Verlichting’, waarin naast de bekende Westerse rationele en tolerantie-bepleitende (op verstand, geweten en individuele eigenheid gebaseerde) Verlichting ook ‘Oosterse Verlichting’ vervat zit. Deze Oosterse Verlichting is gebaseerd op het doorzien van de uiteindelijke werkelijkheid van het afzonderlijke individu.


ARTIKEL 20

Wat hier met ‘Westerse Verlichting’ wordt bedoeld is niet alleen wat op de ratio is gebaseerd (wat aanvankelijk in de achttiende-eeuwse Verlichtingsbeweging de nadruk had), maar ook op gevoel, mededogen, moed, enzovoort. Het gaat vooral over het waardevolle van volledig zelfstandig te zijn en de vrijheid te hebben om eigen meningen en kritiek te hebben.


ARTIKEL 21

Wat hier met ‘Oosterse Verlichting’ wordt bedoeld is gebaseerd op de ontdekking van ‘a priori verlicht zijn’. Dit wil zeggen dat deze Verlichting in kiemvorm in ieder mens aanwezig is, dankzij de aangeboren eigen natuur – ieders wezenlijke, ware natuur.


ARTIKEL 22

Beide Verlichtingen gaan over vrijheid, en de immens grote waarde daarvan. Westerse Verlichting betreft het oog krijgen voor superioriteit en macht, en de Oosterse betreft het oog krijgen voor dat waar macht volledig ontbreekt. Dus enerzijds gaat het om vrijheid ten opzichte van alle machtsuitoefening door anderen, en anderzijds vrijheid in diepere zin, waarin het persoonlijke verleden zijn bindende kracht verloren heeft en vrede herkend wordt als eigen natuur. Omdat Oosterse Verlichting duidelijk maakt dat ware vrijheid en vrede aangeboren zijn, en dus niet verworven kunnen worden, gaat Oosterse Verlichting, als uitnodiging althans, vooraf aan de Westerse.


ARTIKEL 23

Vandaar dat gezegd kan worden dat de huidige Verklaring, die Oosterse Verlichting als uitgangspunt heeft, in feite voorafgaat aan de Verklaring van 1948, die als instrument uiteraard onontbeerlijk blijft.


ARTIKEL 24

Dit voorafgaan kun je een hiërarchische volgorde noemen, althans zolang de term ‘hiërarchisch’ niet wordt misverstaan. Hiërarchisch, dat ‘het heilige eerst’ betekent, is helaas verworden tot ‘de machtige eerst’ (en dan vaak gepresenteerd via de vermomming van het heilige, wat neerkomt op ‘de leugen eerst’). Toch is het moeilijk een betere term te vinden voor het fenomeen dat iets vervat zit in iets anders, en niet andersom. In een hiërarchische ordening staat iets ‘bovenin’, is ‘hoger’ of ‘eerder’. Alles wat nodig is, is onderscheid te blijven maken tussen ‘hoger’ en ‘de macht van het hogere’.


ARTIKEL 25

Het grootse van Westerse Verlichting is dat het er in grote mate toe heeft bijgedragen om de genoemde vermomming te ontmaskeren, en leugens aan het licht te brengen. Door dit soort ontmaskering, ook van subtiele varianten zoals ‘uitverkorenen’, ‘boodschappers van openbaringen’, enzovoort, is veel machtsuitoefening al doorzien.


ARTIKEL 26

‘Inclusieve Verlichting’ is in feite een aanduiding van volledigheid. Volledigheid is niet iets wat tegenstellingen ontkent, of ze via compromissen probeert te doen oplossen, maar wat ze omvat. Dit omvattende is niet een vaagheid, maar biedt juist een scherpte en niet-vooringenomenheid voor de intelligentie, omdat deze, door te tappen uit de conceptloze ware natuur, altijd flitsend direct kan zijn, altijd nieuw en vers.


ARTIKEL 27

Dankzij de intelligentie is in ieder mens een scherpte aanwezig om te kunnen zien dat het benoemen van de ware natuur als ‘goed’ en het opmerken van het voorafgaan van deze Verklaring aan die van 1948, niet een subtiele poging is om opnieuw ‘hoger’ of ‘superieur’ te zijn. Het aldus benoemen is alleen maar een verwijzing naar het conceptloze, dat nu eenmaal voorafgaat aan concepten, en daardoor ook aan alle machtsfenomenen. De huidige Verklaring valt door zijn nadruk op het conceptloze niet onder ‘kerk’ (in de combinatie ‘kerk en staat’). Kerken en godsdiensten kunnen niet zonder concepten – of, anders gezegd: zonder concepten zouden alle godsdiensten het volledig met elkaar eens zijn.


ARTIKEL 28

Westerse Verlichting biedt weliswaar het instrument tegen alle machtsaspecten, maar niet het aan het instrument voorafgaande ‘zicht’. Westerse Verlichting heeft het machtsbolwerk van de godsdienst doen wankelen. Het heeft echter niet het instrument om te kunnen zien of eventueel het kind met het badwater wordt weggegooid.


ARTIKEL 29

Deze Universele Verklaring van de Ware Natuur van de Mens is een proclamatie van een middenweg, een midden tussen twee uitersten, zoals bijvoorbeeld ‘gelovig’ en ‘atheïstisch’. Het beoogt geen compromis, maar een zicht. Met ‘zicht’ wordt hier bedoeld een zicht op de aan alle tegenstellingen voorafgaande eigen natuur, die zowel conceptloos als kennend, ‘ziend’, intelligent is.


ARTIKEL 30

Door dit zicht kan herkend worden wat ervoor nodig is dat alle mensen elkaar zullen kunnen herkennen als gelijk aan elkaar.

Moge gelijkheid van alle mensen werkelijk verwezenlijkt worden.



                                                                            Opgesteld 10 december 2012

                                                                            Bilthoven

                                                                            ©Philip Renard

               

Universele Verklaring van

de Ware Natuur van de Mens